Taboe

(Sita leest Taboe - Roman...)

Sita dwingt zich weer op de eerste pagina te beginnen: “Het is al tegen de avond. Ze zijn moe en hun voeten branden van de tocht door de bergen. Ze pauzeren even om bij te komen. Cirvel kijkt uit over het asgrauwe dal beneden hen. Aan de overzijde van het dal toornt de elf kilometer hoge vulkaan Taboe hoog boven het As-gebergte uit.

Ze had veel over de vulkaan horen verhalen, maar niet verwacht, dat het uitzicht zo overweldigend zou zijn. Zelfs de oranje ondergaande zon verandert niets aan de indrukwekkende somberheid van dit landschap. Voor hen niets dan grauwe doodsheid! Of zit de grauwheid alleen in haar gedachten? Het lot was haar niet gunstig gezind geweest. Ze schuift - het gaas in - haar oversluier een paar millimeter op om het landschap beter te kunnen bekijken...

‘Hoogheid uw sluier,’ waarschuwt haar kamerslavin Anga.

Cirvel schrikt en schuift zorgvuldig de zwarte doek voor haar gezicht terug. De soldaten - die haar begeleiden - zullen het arme wicht wegens nalatigheid, onmiddellijk dood martelen, als ze maar een glimp van haar zouden kunnen zien.

‘Die vervloekte mannendictatuur,’ mompelt Cirvel in zichzelf. Die maakt, in combinatie met de verering van Taboe, alles kapot. Waarom was ze ooit zo stom geweest de riten van deze godverlaten planeet te willen bestuderen? Nu is het te laat! Ze zal haar lot met de waardigheid van een prinses moeten dragen.

Nu pas beseft ze, dat haar geboorte planeet één van de weinige echte paradijzen in het bekende heelal is. Daar staan de grondrechten van de mens in hoog aanzien: ‘Ieder mens heeft het recht om zowel geestelijk als lichamelijk naakt te zijn. Een mens beschikt slechts over eigen lichaam en geest,’ zo dreunen de grondrechten van haar eigen cultuur door haar hersens. Ze is niet instaat de broodnodige geestelijke rust te herwinnen.

De soldaten waren ondertussen begonnen met het opslaan van een kamp. Cirvel draait zich om en bekijkt het efficiënte handelen van deze barbaren. Het is al bijna donker, want de nacht valt snel op deze kleine planeet.

Lang kan Cirvel de slaap niet vatten. De inspanning van de dag maakt haar onrustig. Bovendien kan ze de spanning van haar lot niet loslaten...

Cirvel had verloren, ze was niet mooi genoeg bevonden. Dit was de dag van haar lot. Tergend langzaam, want ze wil iedere minuut - die het leven nog rest - bewust meemaken, ontkleedt ze zich en werpt de kledingstukken in het vuur. De menigte zingt het Vuurlied. Nog nooit had dit lied haar zo dreigend geklonken...

Cirvel werpt haar slipje in het vuur. Nu is ze geheel naakt op haar kroon na. De hitte van de vlammen brandt op haar naakte huid. Het publiek juicht want haar rivale betreedt de arena, de nieuwe koningin-priesteres, die schittert in haar zachtbruine naaktheid. Ze kroont het meisje met haar kroon. Het meisje zalft de huid van Cirvel met de brandbare heilige olie. Nog even geniet Cirvel van de sensuele aanraking. Ze probeert in het hier-en-nu van het leven te blijven.

Dan geeft ze de twee soldaten, die haar vast moeten houden, ieder een hand, zodat ze Taboe zelfs bij de ergste pijn niet zou kunnen ontheiligen. Dan loopt ze statig - naakt en op blote voeten - het vuur in. De menigte juicht, want wat eens naakt is geweest, behoort Taboe toe. De seconden lijken stil te staan, terwijl de pijn - die nu al ondragelijk is - gestaag toe neemt. Cirvel had gehoopt, dat de bewusteloosheid onmiddellijk in zou treden, maar dat is niet zo. De ferme greep van de soldaten dwingt haar met haar naakte billen in de vuurmassa te gaan zitten...”

Er komt uit de luidspreker boven Sita’s hoofd. Ze schrikt haar bewustzijn glijdt van het verhaal naar een nog wazige werkelijkheid. Ze moeten overstappen.

“Honnepon wakker worden!” zegt Sita terwijl ze ondertussen haar vriendin aan één arm door elkaar schudt.

“Mmmm, ja, oh ja wat...” stamelt Annie. Gelijktijdig verlaat ze dromenland.

“We moeten overstappen slaapkopje,” zegt Sita tegen Annie, die weer dreigt weg te glijden.

Annie gaapt: “Wat zei je popje?”

“Je bent niet wakker te krijgen. We moeten overstappen! Als het aan jou ligt, komen we vanzelf weer terecht waar we vertrokken zijn droomprinses,” wijdt Sita uit.

De trein is ondertussen al langzamer gaan rijden. Zo nu en dan slingert hij in de wissels heen en weer. Sita kan zich nauwelijks staande houden.

In haar karakteristieke cadans glijdt de volgende trein voorwaarts. De lichten in de trein floepen aan, want het begint te schemeren. Buiten verandert het vlakke land in zachte glooiingen, die her en der bebost zijn. De glooiingen worden heuvels en de bossen worden dichter. Zo nu en dan is er een onderbreking in het bos voor een heideveld of een dorp. De resten van de ondergaande zon kleuren het landschap. Aan de voorgrond zijn de voortrazende bomen nagenoeg zwart; in de verte vormen de felle kleuren, geel, oranje, paars en groen van de wolkenslierten, het geheel tot een expressionistisch schilderij.

Sita laat zich overdonderen door de manifestatie van het landschap. Ondertussen dendert de trein voort. Een spoorbrug verstoort even de cadans. Dan weer schieten de bomen voorbij. Annie is weer in dromenland. Haar hoofd volgt het ritmisch schommelen van de trein. Onwillekeurig gaan haar gedachten terug naar de landschapbeschrijving. In haar boek. Spoedig prikken de eerste sterren door het donker- paarsblauwe firmament...

Sita graait in haar tas. Pakt ‘Taboe’ en opent dit vergeelde boekje; schuift de bladwijzer opzij en leest verder: “Met haar laatste krachten maakt Cirvel een lotushouding. Ze ziet hoe de nieuw verkozen Priesteres-van-Taboe trots naar de Zoon-van-Taboe schrijdt. Als die over vijf jaar niet meer de mooiste is, zal een ander haar plaats innemen en ook zij zal dit afschuwelijke lot deel worden.

Het wordt donker voor de ogen van Cirvel. Eindelijk de dood komt! De pijn zal verdwijnen. Ze probeert zich over te geven aan het zwarte niets van de dood. Het is alsof ze boven haar lijf zweeft; het zwart wordt helder, eerder donkerblauw dan zwart; los van haar lichaam, dat wel, maar de ondragelijke pijn laat haar niet los...

De trein vertraagt en schudt heen en weer. Het eindstation voor Sita en Annie is in zicht. Sita schrikt op; ze kijkt naar buiten en beseft dat ze moeten uitstappen. Het regent inmiddels; dit is geen prettig idee, omdat ze nog een flink eind moeten fietsen. Dikke regendruppels lopen langs de ruit, die Sita een half uur geleden nog dat fantastische uitzicht had geboden. Annie slaapt nog. Sita zal haar ‘slaapkopje’ weer wakker moeten schudden. Eerst haalt ze haar rugzak uit het bagagerek. De trein schudt weer heen en weer in de wissels, zodat ze bijna haar evenwicht verliest. Slaapkopje pit gewoon door...

“Honnepon wakker worden!” zegt Sita vlak bij het oor van Annie. “We zijn er bijna meid.”

Annie rekt zich wat uit en opent gapende haar mond: “Uhhhh ... ooooh ja ... Hè ... het was zo’n fantastische droom.”

“We moeten uitstappen meid,” herhaalt Sita.

“Jakkes, het giet,” reageert Annie nu ze de druppels langs de ruit ziet glijden.

“Dan word je tenminste echt wakker, slaapkopje,” zegt Sita een beetje pesterig.

De luidspreker kondigt het station aan. De remmen van de trein piepen. De deuren van de trein sissen. Sita en Annie begeven zich op het nagenoeg verlaten perron. Het is inmiddels geheel donker. De trein zet zich weer in beweging...